transport vergunning

home tlec
OVER TLEC
DE CURSUS
HET EXAMEN
INSCHRIJVEN
TLEC PLUS

transport vergunning

Bij tlec kunt u terecht voor de het getuigschrift beroepsvervoer waarmee u uw transport vergunning kunt aanvragen. Wij zijn met name gespecialiseerd in het getuigschrift beroepsvervoer voor het goederenvervoer, maar uiteraard helpen wij u ook verder voor het getuigschrift beroepsvervoer in het personenvervoer.

De transportvergunning voor beroepsgoederenvervoer over de weg


Een transportbedrijf beginnen
Wilt u een onderneming starten in het beroepsgoederenvervoer over de weg, dan dient u een transportverguning, de Eurovergunning aan te vragen bij de NIWO. Beroepsgoederenvervoer is het tegen betaling vervoeren van goederen voor derden. De vergunningplicht geldt bij binnenlands vervoer voor vrachtauto's met een laadvermogen van meer dan 500 kg en bij grensoverschrijdend vervoer voor vrachtauto's met een maximum toegestaan gewicht van meer dan 3.500 kg.

Drie kwalitatieve eisen
U komt in aanmerking voor een Eurovergunning als u voldoet aan drie kwalitatieve eisen. Naast deze eisen is een inschrijving in het handelsregister van de KvK nodig.

  • Kredietwaardigheid: u toont aan over voldoende financiële middelen te beschikken voor een correcte start en voortgang van de onderneming.
  • Vakbekwaamheid: u toont dit aan met een erkend vakdiploma ondernemer beroepsvervoer. 
  • Betrouwbaarheid: u toont dit aan met een integriteitverklaring beroepsvervoer (IVB), die u via Justitie of de gemeente kunt aanvragen.

Vervoersmogelijkheden
Als uw vergunningaanvraag is toegewezen, ontvangt u hiervan een beschikking. Vanaf dat moment kunt u Eurovergunningbewijzen (zgn. Eurokopie) opnemen voor op uw voertuigen. U ontvangt een origineel exemplaar van de Eurovergunning dat op kantoor moet blijven. De daarvan afgeleide Eurokopie gaat met het voertuig mee. Dit voertuig mag dan binnen de Europese Unie (EU) goederen gaan vervoeren voor derden, zowel binnenlands als grensoverschrijdend.

Een aantal EU-lidstaten stelt extra eisen in geval van derdelandenvervoer met niet EU-landen. In een aantal lidstaten is cabotage (binnenlands vervoer in een ander land) nog niet toegestaan. Voor vervoer op landen buiten de Europese Unie zijn meestal ook nog ritmachtigingen of een CEMT-vergunning nodig.
Geldigheidsduur

De Eurovergunning is vijf jaar geldig en kan daarna worden verlengd. De geldigheidsduur van de Eurokopieën is gelijk aan die van het originele exemplaar. Als niet meer aan de gestelde eisen wordt voldaan, trekt de NIWO de vergunning in. Dit wordt eens in de vijf jaar getoetst.

Drie kwalitatieve eisen aan de transport vergunning
In de Wet wegvervoer goederen (WWG) worden drie kwalitatieve voorwaarden gesteld, die binnen de Europese Unie gelden voor toetreding tot de beroepsgoederenvervoermarkt. Bij de eerste vergunningaanvraag en vervolgens om de vijf jaar moeten transportbedrijven aantonen dat zij aan de eisen voldoen. Hier volgt een uitgebreide beschrijving.

Kredietwaardigheid voor transport vergunning
De aanvrager moet kunnen beschikken over een kapitaal en reserves, benodigd voor een correcte aanvang en beheer van de onderneming. Als meer natuurlijke personen gezamenlijk als ondernemer optreden moeten zij gezamenlijk voldoen aan deze eis. Het bedrijfskapitaal is vastgesteld op € 9.000 voor de eerste in te zetten vrachtauto en € 5.000 voor iedere volgende vrachtauto. Bijv. voor twee auto's is dat dus 1 x € 9.000 + 1 x € 5.000 = €14.000. Onder vrachtauto wordt verstaan een solovrachtauto, een bestelbus of een combinatie van vrachtauto met aanhangwagen of trekker met oplegger.

Het bedrijfskapitaal is het voor de onderneming beschikbare risicodragend vermogen, bestaande uit het eigen vermogen van de onderneming. Bij de grootte van het risicodragend vermogen mag eventueel een zgn. ‘belegging in durfkapitaal’ volgens de artikelen 5.17 en 5.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden meegeteld. Deze regeling geldt uitsluitend voor beginnende ondernemers.
De beschikbaarheid van het bedrijfskapitaal kan uitsluitend worden aangetoond met een gedetailleerde openingsbalans met toelichting en een daarbij behorende ‘Verklaring inzake het minimaal aanwezige risicodragend kapitaal’ van een registeraccountant (RA) of een accountant-administratieconsulent (AA), die een beschrijving bevat van de op de openingsbalans opgenomen activa en passiva, onder vermelding van de daarbij toegepaste waarderingsgrondslagen en van het voor de grootte van de onderneming beschikbare risicodragend vermogen. Deze beschrijving mag niet ouder zijn dan twee maanden.

Een ondernemer uit een andere EU-lidstaat dan Nederland mag ook een verklaring overleggen, afgegeven in die andere lidstaat overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 96/26/EG.

Betrouwbaarheid voor transport vergunning
De betrouwbaarheid van natuurlijke personen en van rechtspersonen wordt aangetoond met een integriteitverklaring beroepsvervoer (IVB). Covog, het centraal orgaan verklaring omtrent het gedrag, van het Ministerie van Justitie geeft de IVB af. Rechtspersonen vragen de IVB rechtreeks aan bij Covog. Natuurlijke personen vragen de verklaring via de gemeente van inwoning aan.

Is de rechtsvorm van de onderneming een B.V., V.o.f. of C.V. etc. dan moet een integriteitverklaring rechtspersoon worden aangevraagd. Betreft het een eenmanszaak op naam van de eigenaar dan vraagt de eigenaar een integriteitverklaring natuurlijk persoon aan. Is de vakbekwaam bestuurder een procuratiehouder of bedrijfsleider, dan moet deze persoon apart een integriteitverklaring natuurlijk persoon worden aangevraagd.

Het aanvraagformulier voor beide verklaringen kunt u downloaden van de NIWO site of van www.justitie.nl/themas/vog

Een ondernemer of bestuurder uit een andere EU-lidstaat dan Nederland mag ook een verklaring van goed gedrag overleggen, die is afgegeven in die andere lidstaat overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 96/26/EG (laatstelijk gewijzigd bij 98/76/EG). Deze mag ook niet ouder zijn dan drie maanden.

Meer informatie over de integriteitverklaring beroepsvervoer (IVG/VOG)
Eén van de eisen voor vergunningverlening is de eis van betrouwbaarheid. Aan de eis van betrouwbaarheid wordt voldaan door overlegging van een integriteitverklaring beroepsvervoer (IVB/VOG) door de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon die permanent en daadwerkelijk leiding geeft.

Is de rechtsvorm van de onderneming een B.V, V.o.f. of C.V. etc., dan moet een integriteitverklaring rechtspersoon worden aangevraagd. Betreft het een eenmanszaak op naam van de eigenaar dan vraagt de eigenaar een integriteitverklaring natuurlijk persoon aan. Is de vakbekwaam bestuurder een procuratiehouder of bedrijfsleider, dan moet voor deze persoon apart een integriteitverklaring natuurlijk persoon worden aangevraagd.

De integriteitverklaring van rechtspersonen wordt rechtstreeks aangevraagd bij en afgegeven door het Centraal orgaan verklaring omtrent het gedrag (COVOG) van het Ministerie van Justitie. Natuurlijke personen vragen de verklaring aan bij de afdeling Burger-/Publiekszaken van de gemeente van inschrijving in de gemeentelijke Basisadministratie (GBA).

Om de vijf jaar moet er een nieuwe integriteitverklaring beroepsvervoer worden overgelegd. De integriteitverklaring beroepsvervoer komt grotendeels overeen met voorheen de verklaring omtrent het gedrag (VOG) en is geregeld in de Wet wegvervoer goederen (WWG) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Aanvragen

U kunt een integriteitverklaring beroepsvervoer rechtspersoon (IVB/VOG - RP) aanvragen door een volledig ingevuld aanvraagformulier in te leveren bij het Centraal orgaan verklaring omtrent het gedrag (COVOG) van het Ministerie van Justitie. Een integriteitverklaring beroepsvervoer natuurlijk persoon (IVB/VOG - NP) vraagt u aan door een volledig ingevuld aanvraagformulier in te leveren bij de afdeling Burgerzaken van de gemeente waar u staat ingeschreven. De aanvraagformulieren voor de IVB/VOG - RP en de IVB/VOG - NP kunt u tezamen met het aanvraagformulier voor de vergunning downloaden van de website van de NIWO.
De gemeente voert uw gegevens in en stuurt de aanvraag door naar het COVOG. Dit orgaan beslist namens de Minister van Justitie of al dan niet een IVB/VOG wordt afgegeven. Een beslissing op de aanvraag van een IVB/VOG - NP wordt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag genomen en een beslissing op de aanvraag om een IVB/VOG - RP binnen acht weken.
VOG-onderzoek

Het COVOG raadpleegt voor het IVB-onderzoek het centraal justitieel documentatieregister. In dit register staan gegevens over afdoening van strafbare feiten vermeld, van onherroepelijke veroordelingen tot sepots en transacties. Daarnaast kan COVOG politieregistergegevens in het onderzoek betrekken en kunnen inlichtingen bij het Openbaar Ministerie en de reclassering worden ingewonnen. Bovendien worden bij het IVB-onderzoek ook eventuele vonnissen van de burgerlijke rechter wegens niet naleven van de CAO bepalingen meegewogen. De gegevens worden in samenhang gewogen en beoordeeld. Indien uit het IVB-onderzoek blijkt dat er geen strafbare gedragingen of CAO-vonnissen op naam van de aanvrager staan, dan wordt de IVB afgegeven. Als er wel sprake is van strafbare gedragingen of CAO-vonnissen, dan wordt beoordeeld of deze relevant zijn ten opzichte van het doel waarvoor de IVB/VOG is aangevraagd. Voor het beroep van wegvervoerder is in dat verband een apart screeningsprofiel opgesteld, waaraan door het COVOG getoetst wordt.
Meer informatie

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u ook contact opnemen met het COVOG, Postbus 16115, 2500 BC Den Haag.
Telefoon: 070 - 370 7234
E-mail: frontdesk.justis@minjus.nl
Internet: www.justitie.nl/themas/vog

Vakbekwaamheid transport vergunning
Ter voldoening aan deze eis heeft het Ministerie van Verkeer en Waterstaat het vakdiploma van de Stichting Examenbureau Beroepsvervoer (SEB) aangemerkt als erkend vakdiploma. Per 1 januari 2008 voert de divisie CCV van het CBR de examens uit in opdracht van de SEB. Een ondernemer uit een andere EU-lidstaat dan Nederland mag ook een verklaring van vakbekwaamheid overleggen, die conform artikel 10 van Richtlijn 96/26/EG is afgegeven in een andere EU-lidstaat.
De vakbekwaamheid voor de Eurovergunning kan alleen worden ingebracht door een bestuurder die in bezit is van een vakdiploma voor ondernemer in het binnenlands beroepsvervoer en een vakdiploma voor ondernemer in het grensoverschrijdend beroepsvervoer. De vakbekwaamheid moet worden ingebracht door degene die vanuit de plaats van vestiging permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden van de onderneming. Dit kan de ondernemer zelf, een directeur of een vennoot zijn. Het kan ook de procuratiehouder of bedrijfsleider zijn, mits vastgesteld is dat deze permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden. De NIWO stelt hiernaar een onderzoek in (lees meer over dit onderzoek). Als meerdere personen leiding geven moet minimaal één voldoen aan de eis.

Onderzoek permanent en daadwerkelijk leidinggeven i.v.m. de inbreng van vakbekwaamheid
In geval de eigenaar van een eenmanszaak, een directeur van een besloten vennootschap of een vennoot van een vennootschap onder firma zelf in bezit is van het vakdiploma, wordt in beginsel aangenomen dat deze persoon permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden. Bij twijfel wordt een nader onderzoek in gesteld.
In de overige gevallen wordt altijd een nader onderzoek ingesteld. Het betreft met name gevallen, waarin een procuratiehouder of bedrijfsleider van een eenmanszaak, besloten vennootschap of vennootschap onder firma in bezit is van het vakdiploma.
Het onderzoek richt zich met name op de aard van de werkzaamheden en de daarbij behorende verantwoordelijkheden, het aantal uren dat betrokkene werkzaam is, de honorering van de verrichte werkzaamheden en een eventueel dienstverband elders. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met omvang en aard van het bedrijf.


De vakbekwaam te achten persoon moet in principe aan de volgende eisen voldoen:

  • loondienstverband, eventueel managementvergoeding / winstdeling;
  • redelijke beloning, waarbij wordt aangesloten bij relevante functieklassen uit de CAO;
  • volledige volmacht, bij uitzondering beperkte volmacht afhankelijk van de volmachten van de overige bestuurders;
  • inschrijving in Handelsregister;
  • bij grote bedrijven ( > 10 vrachtauto's ) fulltime werkzaam in een leidinggevende positie;
  • bij kleine bedrijven ( < of = 10 vrachtauto's ) een redelijk aantal uren werkzaam in een leidinggevende positie, afhankelijk van de aard en de grootte van het bedrijf;
  • geen functie elders, tenzij de omvang van de betrokken bedrijven dit toelaat en / of de functie in nauwe relatie staat tot het bedrijf.


Wet wegvervoer goederen treedt op 1 mei 2009 in werking
Op 1 mei 2009 treedt de nieuwe Wet wegvervoer goederen (WWG) in werking. Uitgangspunt van de nieuwe wet is dat niet meer geregeld wordt dan in Europa is voorgeschreven. De nieuwe wet treedt in de plaats van de Wet goederenvervoer over de weg (Wgw).
Doelstellingen van de nieuwe wet (WWG)

  • Versobering van de regelgeving; 
  • De inschrijvingsplicht van het eigen vervoer wordt geschrapt; 
  • Vermindering van de administratieve lasten; 
  • Verbetering van de handhaafbaarheid van de regelgeving.

Inhoud van de nieuwe wet (WWG)

  • Regels voor de toegang tot de markt van het binnenlands en het grensoverschrijdend beroepsvervoer en eigen vervoer in Nederland en het grensoverschrijdend beroepsvervoer dat door de in Nederland gevestigde vervoerders wordt verricht. 
  • Eisen voor de toegang tot het beroep van beroepsvervoerder voor in Nederland gevestigde vervoerders. 
  • Taken, inrichting en financiering van de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO). 
  • Regels voor het toezicht op de NIWO door de minister van Verkeer en Waterstaat. 
  • Toezicht op de naleving van de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving van het bij krachtens de Wwg bepaalde. 
  • Intrekking van de Wgw met de bijbehorende overgangsbepalingen en met de benodigde aanpassing van andere wetten.
  • Belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de huidige wet (Wgw)
  • Aparte vergunning voor binnenlands vervoer vervalt
  • De Eurovergunning geldt voor binnenlands en grensoverschrijdend vervoer
  • Eis van kredietwaardigheid: minimum wordt verlaagd naar € 9.000
  • Eis van betrouwbaarheid: verklaring omtrent gedrag wordt vervangen door integriteitverklaring
  • NIWO kan last onder dwangsom opleggen
  • NIWO heeft vervoerenquête niet langer als wettelijke taak
  • Inschrijvingsplicht eigen vervoer geschrapt
  • Invoering van mede-aansprakelijkheid van anderen (bijv. verlader, afzender of expediteur) dan de vervoerder

Wat wijzigt er niet?
In het wetsvoorstel was voorgesteld om de vergunningplicht te laten gelden voor vrachtauto’s met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 3.500 kg in plaats van het toegestaan laadvermogen van 500 kg zoals dat onder de Wgw geldt. Daarnaast was voorgesteld om de eis van dienstbetrekking voor chauffeurs te laten vervallen. Deze voorstellen zijn echter verworpen.

  • Ondergrens voor vergunningplicht blijft 500 kg laadvermogen voor binnenlands vervoer 
  • Eis van dienstbetrekking blijft gehandhaafd 
  • Vrachtbrief blijft verplicht 

Veranderingen voor bedrijven met een Eurovergunning
De Eurovergunning is vanaf datum inwerkingtreding nieuwe wet geldig voor zowel binnenlands als grensoverschrijdend vervoer. De binnenlandse vergunning van de ruim 10.000 bedrijven met een Eurovergunning vervalt, hetzelfde geldt voor de binnenlandse vergunningbewijzen op de voertuigen. Bedrijven die met een deel van hun wagenpark uitsluitend binnen Nederland rijden en voor dit deel alleen een binnenlands vergunningbewijs op het voertuig hebben liggen, kunnen tegen gereduceerd tarief de binnenlandse bewijzen omwisselen voor Eurovergunningbewijzen. Voor verlenging van de Eurovergunning zal onder de nieuwe wet een tarief gelden van € 120. Een Eurovergunning is vijf jaar geldig.

Overgangsregeling voor bedrijven met uitsluitend een binnenlandse vergunning
Voor bedrijven die vòòr inwerkingtreding van de nieuwe wet uitsluitend over een binnenlandse vergunning beschikken geldt een overgangsregeling. Hun binnenlandse vergunning blijft geldig zolang het bedrijf dezelfde rechtsvorm houdt en de vakbekwame bestuurder van het bedrijf niet verandert. Zodra de vakbekwame bestuurder of de rechtsvorm verandert, dan moet er een Eurovergunning worden aangevraagd, waarvoor zowel het vakdiploma binnenland als het vakdiploma buitenland vereist is. Ongeveer 2.200 bedrijven gaan onder deze overgangsregeling vallen.

Verandering voor nieuwe transportbedrijven
Om een bedrijf te beginnen in het beroepsgoederenvervoer over de weg, moet een vergunning aangevraagd worden bij de NIWO. Dat kan onder de nieuwe wet alleen een aanvraag voor een Eurovergunning zijn, waarmee zowel binnenlands als grensoverschrijdend vervoer gedaan mag worden. De bestuurder van de onderneming moet beschikken over het vakdiploma binnenland en het vakdiploma buitenland.

NIWO-vervoerenquête gaat over naar het CBS
De vervoerenquête is onder de nieuwe wet niet langer een wettelijke taak van de NIWO, de gegevensverzameling is niet opgenomen in de nieuwe wet (WWG). Dit betekent niet dat de vervoerenquête komt te vervallen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) neemt de vervoerenquête in zijn geheel over van de NIWO. Wel is met het CBS overeengekomen dat de NIWO nog enige tijd de afhandeling van de enquêtes, die in 2008 zijn uitgestuurd, gaat verzorgen.

Met ingang van statistiekjaar 2009 vraagt het CBS de gegevens uit bij de beroepsvervoerder. Het CBS doet dit op basis van de CBS-wet en Europese regelgeving. Deze regelgeving betreft de verplichting van elke lidstaat om communautaire vervoergegevens aan het Europese Bureau voor de Statistiek (Eurostat) door te geven. De oude wet verplichtte beroepsvervoerders gegevens over het verrichte vervoer te verstrekken aan de NIWO. De NIWO verzamelde deze gegevens via de zogenaamde vervoerenquête. Om de administratieve lasten te verlichten is de vervoerenquête in de afgelopen jaren al sterk vereenvoudigd. Verdere stappen ter vereenvoudiging en lastenverlichting hebben binnen het CBS de aandacht en zullen naar verwachting in 2009 worden gezet.

Eis van kredietwaardigheid
Eén van de drie kwalitatieve eisen om voor een Eurovergunning in aanmerking te komen is de kredietwaardigheid, de financiële draagkracht van het bedrijf. De nieuwe wet (WWG) sluit aan bij de Europese norm: € 9.000 voor de eerste vrachtauto en € 5.000 voor iedere volgende vrachtauto. In Nederland moet kapitaal aanwezig zijn in de vorm van eigen vermogen en/of een achtergestelde lening. Dit moet aangetoond worden met een accountantsverklaring. De nieuwe wet (WWG) staat bij verlenging van de vergunning ook andere verklaringen dan een accountantsverklaring toe als bewijs van kredietwaardigheid. De NIWO bepaalt nog welke andere verklaringen dat zullen zijn.

Eis van betrouwbaarheid
Eén van de drie kwalitatieve eisen om voor een Eurovergunning in aanmerking te komen is de betrouwbaarheid van de bestuurder(s) van het bedrijf. Onder de nieuwe wet (WWG) geeft de integriteitverklaring invulling aan de eis van betrouwbaarheid. Niet alleen bij de aanvraag van de vergunning en bij de verlenging van de vergunning om de vijf jaar moet een integriteitverklaring worden overgelegd, maar de NIWO kan ook tussentijds bij twijfel over de betrouwbaarheid van een onderneming een integriteitverklaring opvragen. De integriteitverklaring moet worden ingeleverd door de natuurlijke persoon die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden of door de rechtspersoon/vergunninghouder. De integriteitverklaring komt grotendeels overeen met de verklaring omtrent het gedrag (vog), die onder de oude wet invulling aan deze eis gaf. De verklaring wordt afgegeven door de Minister van Justitie (Covog). Verschil met de vog is dat bij de integriteitverklaring naast de veroordelingen voor strafbare feiten en overtredingen van de vervoerwetgeving ook gekeken wordt naar vonnissen van de burgerlijke rechter wegens overtreding van de CAO-bepalingen. Covog bepaalt aan de hand van een screeningsprofiel of de ondernemer in aanmerking komt voor een integriteitverklaring.

Eis van vakbekwaamheid
Eén van de drie kwalitatieve eisen om voor een vergunning in aanmerking te komen is de vakbekwaamheid van de bestuurder(s) van het bedrijf. Onder de nieuwe wet (WWG) kan dat alleen een aanvraag voor een Eurovergunning zijn. De bestuurder van de onderneming moet beschikken over het vakdiploma binnenland én het vakdiploma buitenland. Meer informatie over het examen voor het vakdiploma kunt u krijgen bij CCV Ondernemersexamens via telefoonnummer 070 - 372 07 80 of per faxbericht 070 – 372 07 99 of via internet: www.ccv-examenhuis.nl.

Last onder dwangsom
In de nieuwe wet (WWG) is bepaald dat de vervoerder een vervallen of ingetrokken vergunning binnen één week na de vervaldatum of de intrekking moet inleveren bij de NIWO. Hetzelfde geldt voor de op basis van de vergunning afgegeven vergunningbewijzen. De NIWO kan een last onder dwangsom opleggen als niet aan deze verplichting wordt voldaan. Kort gezegd komt een last onder dwangsom erop neer, dat de vervoerder aan de NIWO een bepaald bedrag verschuldigd wordt zolang of zo dikwijls hij niet voldoet aan de verplichting om de vergunning en bewijzen te retourneren. Er zal met terughoudendheid gebruik worden gemaakt van dit instrument. Alleen als er aanwijzingen zijn dat de vergunningbewijzen worden misbruikt, zal worden overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom.
Inschrijvingsplicht eigen vervoer vervalt
In de nieuwe wet (WWG) is de inschrijvingsplicht voor eigen vervoer niet meer opgenomen. Van eigen vervoer is sprake als vervoer voor eigen rekening wordt verricht en niet voor derden. De inschrijvingsplicht vloeit niet voort uit internationale regelgeving en heeft ook uit het oogpunt van handhaving geen toegevoegde waarde meer. De inschrijvingsplicht was in de oude wet opgenomen om bij controles eigen vervoer van beroepsvervoer te kunnen onderscheiden. Handhavers hebben daar nu andere methoden voor.

Mede-aansprakelijkheid verlader
Via een amendement in de Tweede Kamer is in de nieuwe wet (WWG) de mede-aansprakelijkheid van de verlader opgenomen. De afzender wordt mede-aansprakelijk gesteld voor overbelading indien de afzender een rol heeft gespeeld bij het tot stand komen van de overtreding, doordat hij de vervoerder van onjuiste of onvolledige informatie heeft voorzien, of doordat de afzender bij het laden van het voertuig de aanwijzingen van de vervoerder niet heeft opgevolgd.

Sinds 1 mei 2009 is niet alleen de vervoerder strafrechtelijk aansprakelijk voor het overtreden van de beladingsvoorschriften, maar ook degene die beroepsvervoer doet verrichten in strijd met de beladingsvoorschriften.  In artikel 2.6 lid 2 WWG lijkt het ‘doen verrichten van overbelading’ dezelfde betekenis te hebben als het doen plegen van overbelading ex artikel 47 Sr, waarbij de feitelijke uitvoerder straffeloos is. Uit jurisprudentie en literatuur blijkt echter dat als de delictsomschrijving de terminologie ‘doen….’ bevat, niet wordt gedoeld op de deelnemingsvorm ‘doen plegen’.[1] Dit betekent dat zowel de vervoerder als degene die beroepsvervoer doet verrichten naast elkaar strafrechtelijk kan worden aangesproken.

Vervolging ter zake van doen plegen, uitlokken of medeplegen van overbelading blijft mogelijk, maar bewijstechnisch is het eenvoudiger om te transigeren/vervolgen op basis van artikel 2.6 lid 2 WWG omdat dat artikel geen opzet vereist. De deelnemingsvorm ‘doen plegen’ ex artikel 47 Sr vereist wel een opzet op het doen plegen, dat gericht is op het handelen van de feitelijke uitvoerder. Er moet dus sprake zijn van zogenaamd kleurloos opzet. Daarnaast is de feitelijke uitvoerder niet strafbaar. Het ‘doen verrichten van beroepsvervoer in strijd met de beladingsvoorschriften’ is dus eenvoudiger te bewijzen dan de deelnemingsvorm ‘doen plegen’, omdat niet bewezen hoeft te worden dat het opzet is gericht op de gedraging van de feitelijke uitvoerder.

Op grond van de WWG kunnen ook anderen dan de vervoerder verantwoordelijkheid dragen voor de naleving van de beladingsvoorschriften. In artikel 2.6 lid 2 van de WWG staat dat het doen verrichten van beroepsvervoer in strijd met de beladingsvoorschriften is verboden . Onder doen verrichten van beroepsvervoer wordt verstaan het direct of indirect betrokken zijn bij de totstandkoming van de vervoersovereenkomst. Dit is veelal de afzender, verlader en/of de expediteur.
Als er aanknopingspunten zijn die erop wijzen dat een derde medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor het overtreden van de beladingsvoorschriften, moet het opsporingsonderzoek niet alleen op de vervoerder, maar ook op die derde worden gericht. Deze aanknopingspunten kunnen tijdens het verhoor van de chauffeur/vervoerder aan het licht komen. In ieder geval kan een derde medeverantwoordelijk worden gehouden voor het overtreden van de beladingsvoorschriften, als de derde laakbaar heeft gehandeld doordat hij o.a: de vervoerder van onjuiste of onvolledige informatie heeft voorzien of de aanwijzingen van de vervoerder niet heeft opgevolgd.

Wet Wegvervoer Goederen Artikel 1.2
Lid 3.      Een natuurlijk persoon die goederen vervoert met een communautaire vergunning van een derde of met een vergunning als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, van een derde, verricht beroepsvervoer indien hij de vrachtauto waarmee de goederen worden vervoerd in eigendom heeft of de vrachtauto hem anderszins tegen vergoeding ter beschikking is gesteld.

Hier is het geval als de ZZP-er op directe dan wel indirecte wijze (een deel van) de kosten van de vrachtauto draagt door het betalen van bijvoorbeeld:
a. een leasesom;
b. verzekeringspremies;
c. motorrijtuigenbelasting;
d. een kilometervergoeding aan de vergunninghouder of een andere derde.

De ZZP-er verricht dan beroepsvervoer en dient derhalve te beschikken over een communautaire vergunning.

Het misbruik van ZZP-constructie om onder de vergunningplicht uit te komen, kan met het voorgestelde artikel 1.2, derde lid, worden aangepakt.
Een voorbeeld hiervan is het oneigenlijk gebruik van administratiekantoren waarbij een aantal ZZP-ers onder dezelfde communautaire vergunning van een administratiekantoor opereren, aan te pakken. Het betreft hier schijnconstructies waarbij een aantal ZZP-ers gebruik maken van een administratiekantoor om niet zelf te hoeven voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid. Een aantal ZZP-ers die een vennootschap onder firma of een maatschap vormen dienen de vrachtauto’s in het gemeenschappelijk ondernemingsvermogen in te brengen om onder vergunning van de vennootschap onder firma of van de maatschap beroepsvervoer te kunnen verrichten.

Wet Wegvervoer Goederen  Artikel 2.7
1.      Het is de houder van een communautaire vergunning of van een vergunning als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, verboden om een gewaarmerkte kopie van die vergunning al dan niet tegen betaling ter beschikking te stellen aan een derde ten behoeve van het verrichten van beroepsvervoer.
2.      Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan wie door de houder van een vergunning een gewaarmerkte kopie van die vergunning ter beschikking is gesteld.

Dit behoeft weinig toelichting, zowel de “uitlener” als de “inlener” van de vergunning zitten fout.

Wet Wegvervoer Goederen Artikel 2.11
Lid 1.      Het is een vervoerder verboden vervoer te verrichten met gebruikmaking van bestuurders van vrachtauto’s die niet bij hem in dienstbetrekking zijn.
Lid 6.      Door overtreding van het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt niet langer voldaan aan de eis van betrouwbaarheid.

Let vooral op lid 6 van dit artikel. Het verliezen van de betrouwbaarheid houdt in dat je niet meer voldoet aan de eis van betrouwbaarheid, wat dan weer betekent dat je geen recht meer hebt op de vergunning.

Staatscourant 2009 nr. 81 29 april 2009
De NIWO bepaalt, gelet op de Wet wegvervoer goederen en de ministeriële regeling ter uitvoering van
de wet, het navolgende:

A. Aanvragen om vergunning
Bij een aanvraag om een communautaire vergunning stelt de NIWO ingevolge artikel 2.8 van de Wet wegvoer goederen (WWG) vast of door de aanvrager wordt voldaan aan de eisen van betrouwbaarheid, financiële draagkracht en vakbekwaamheid. Voorts stelt de NIWO de eis dat de vervoerder een reële vestiging in Nederland heeft.

B. Betrouwbaarheid
Volgens artikel 2.10 van de WWG wordt de betrouwbaarheid van natuurlijke personen en rechtspersonen aangetoond met een integriteitsverklaring beroepsvervoer. De integriteitsverklaring voor rechtspersonen wordt rechtstreeks aangevraagd bij en afgegeven door het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (Covog) van het Ministerie van Justitie. Natuurlijke personen vragen de verklaring via de gemeente van inwoning aan. De verklaring moet worden overgelegd bij een aanvraag om een vergunning en bij de vijfjaarlijkse toets. Ook tussentijds kan de NIWO, indien daartoe aanleiding is, om zo’n verklaring vragen. Op het moment van indiening van de aanvraag om een vergunning mag de integriteitsverklaring niet ouder dan drie maanden zijn. Bij de beoordeling van de aanvraag om een verklaring wordt door Covog behalve naar veroordelingen voor strafbare feiten en overtredingen van de vervoerwetgeving ook gekeken naar vonnissen van de burgerlijke rechter wegens overtreding van de CAO-bepalingen. Een rechtspersoon of een natuurlijk persoon, wiens land van oorsprong of herkomst een andere lidstaat is, voldoet aan de eis van betrouwbaarheid door overlegging van een niet ouder dan drie maanden zijnde document of verklaring die Nederland op grond van artikel 8 van richtlijn 96/26/EG van de Raad van 29 april 1996 (laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 98/76/EG) moet erkennen.

C. Kredietwaardigheid
Ter voldoening aan de eis van financiële draagkracht dient de vervoerder te beschikken over een kapitaal en reserves van € 9000,– wanneer slechts één voertuig wordt gebruikt en € 5000,– voor ieder volgend voertuig. Ten aanzien van een beginnende vervoerondernemer wordt als kapitaal en reserves aangemerkt het beschikbare risicodragend vermogen, bestaande uit het eigen vermogen, vermeerderd met een belegging in durfkapitaal, zoals geregeld bij of krachtens de artikelen 5.17 en 5.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001. In geval van verlenging van de communautaire vergunning wordt als kapitaal en reserves aangemerkt het beschikbare risicodragend vermogen, bestaande uit het eigen vermogen, vermeerderd met een ten opzichte van alle andere schulden achtergestelde lening. De vervoerder toont tegenover de NIWO zijn financiële draagkracht aan door het overleggen van een balans en een toelichting daarop, voorzien van een verklaring, inhoudende dat de waardering van het beschikbare risicodragend vermogen is geschied volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, en dat dit vermogen voldoet aan de hiervoor gestelde eisen. Indien de vervoerder een rechtspersoon is, die op grond van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is om een jaarrekening op te maken, kan hij volstaan met het overleggen van zijn jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar, voorzien van een verklaring waaruit blijkt dat het beschikbare risicodragend vermogen voldoet aan de hiervoor gestelde eisen. De verklaringen voor een beginnende vervoerondernemer kunnen uitsluitend worden afgegeven door een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent. In geval van een verlenging van een communautaire vergunning kunnen de verklaringen ook worden afgegeven door de leden van de volgende instellingen:
1. Nederlandse Orde van Administratie- en Belastingdeskundigen (NOAB).
2. Register Belastingadviseurs (waartoe het College Belastingadviseurs en de Nederlandse Federatie
Belastingadviseurs behoren).

De NIWO kan de vervoerder een uitstel van ten hoogste een jaar verlenen om te voldoen aan de eis van financiële draagkracht, mits de vervoerder aan de hand van bewijsstukken heeft aangetoond dat hij binnen dit jaar voldoet aan de eis van financiële draagkracht. Een vervoerder, wiens land van herkomst of oorsprong een andere lidstaat, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is, voldoet aan de eis van financiële draagkracht, indien een verklaring overgelegd wordt die overeenkomstig artikel 9 van richtlijn 96/26/EG van de Raad van 29 april 1996 (laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 98/76/EG) is afgegeven. De verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.

D. Vakbekwaamheid
Ter voldoening aan de eis van vakbekwaamheid moet een door de Minister van Verkeer en Waterstaat erkend vakdiploma worden overgelegd. Het vakdiploma van de Stichting Examenbureau Beroepsvervoer (SEB) wordt als zodanig aangemerkt. Aan de eis van vakbekwaamheid wordt ook voldaan, indien de ondernemer of bestuurder van een onderneming tot het verrichten van beroepsvervoer een verklaring betreffende de vakbekwaamheid overlegt, die overeenkomstig artikel 3, vierde lid, van richtlijn 96/26/EG in een andere lidstaat is afgegeven. De vakbekwaamheid moet worden ingebracht door degene, die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de werkzaamheden van een in Nederland gevestigde onderneming. Dit hoeft niet per definitie de ondernemer zelf, een directeur of een vennoot te zijn. Het kan ook een procuratiehouder of bedrijfsleider zijn, mits kan worden vastgesteld dat deze permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden. Ingeval de eigenaar van een eenmanszaak, een partner van de eigenaar waarmee hij duurzaam samenwoont, een directeur van een besloten vennootschap of een vennoot van een vennootschap onder firma zelf in bezit is van het vakdiploma, wordt in beginsel zonder nader onderzoek aangenomen dat deze persoon permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden. Bij twijfel wordt in deze gevallen een nader onderzoek ingesteld. In de overige gevallen wordt altijd een nader onderzoek ingesteld. Het betreft in het bijzonder gevallen, waarin een procuratiehouder of bedrijfsleider van een eenmanszaak, een besloten vennootschap of een vennootschap onder firma in bezit is van het vakdiploma. Het onderzoek richt zich in het bijzonder op de aard van de werkzaamheden en de daarbij behorende verantwoordelijkheden, het aantal uren dat betrokkene werkzaam is, de honorering van de verrichte werkzaamheden en een eventueel dienstverband elders. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de omvang en aard van het bedrijf. De vakbekwaam te achten persoon moet in principe aan de volgende eisen voldoen:

  • loondienstverband, eventueel managementvergoeding;
  • redelijke beloning, waarbij wordt aangesloten bij de relevante functieklassen uit de CAO;
  • volledige volmacht, bij uitzondering beperkte volmacht afhankelijk van de volmachten van de overige bestuurders;
  • inschrijving in het Handelsregister;
  • bij grote bedrijven (> 10 vrachtauto’s) fulltime werkzaam in een leidinggevende positie;
  • bij kleine bedrijven (≤ 10 vrachtauto’s) een redelijk aantal uren werkzaam in een leidinggevende
  • positie afhankelijk van de aard en de grootte van het bedrijf;
  • geen functie elders, tenzij de omvang van de betrokken bedrijven dit toelaat en/of de functie in
  • nauwe relatie staat tot het bedrijf.

In het geval dat een bestaand bedrijf door uitbreiding komt te vallen in de categorie ‘grote bedrijven’,
wordt opnieuw getoetst op de vakbekwaamheid.

E. Reële vestiging
Het bedrijf moet een reële vestiging in Nederland hebben. Dit betekent dat er sprake moet zijn van een daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit door middel van een duurzame vestiging voor onbepaalde tijd. Het beheer en de exploitatie van het bedrijf moet geschieden vanuit de vestiging in Nederland.

F. Vakbekwaamheid eigen rijder
In het geval dat in een eenmanszaak zonder chauffeurs in dienst een ander dan de eigenaar de vakbekwaamheid inbrengt, wordt de aanvraag kritisch bezien en wordt op voorhand niet uitgegaan van de aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde taakomschrijving van deze derde. De inbreng van vakbekwaamheid door een partner, waarmee de eigenaar duurzaam samenwoont, wordt zonder nader onderzoek geaccepteerd.

G. Leiding geven aan het vervoer of aan de onderneming
Het leiding geven van de vakbekwaam bestuurder moet betrekking hebben op de vervoeractiviteiten van de onderneming. Bij kleine bedrijven (≤ 10 vrachtauto’s) impliceert het leiding geven aan de vervoeractiviteiten dat ook leiding gegeven wordt aan de onderneming en vice versa. Bij grote bedrijven (> 10 vrachtauto’s) en bij bedrijven waar naast het vervoer ook nog andere activiteiten worden verricht is het voldoende als leiding wordt gegeven aan de vervoerwerkzaamheden en is leiding geven aan de onderneming niet noodzakelijk.

H. Nader onderzoek
Bij het verlenen van een vergunning voor het beroepsvervoer dient in beginsel te worden aangenomen dat wordt gehandeld conform hetgeen bij de vergunningaanvraag is opgegeven. Dit laat onverlet dat op een later tijdstip kan worden onderzocht of de praktijk in overeenstemming is met het bij de aanvraag geschetste beeld en dat de vergunning kan worden ingetrokken als zulks niet het geval is. Indien de feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven zal een nader onderzoek zes maanden na vergunningverlening worden ingesteld. De vergunninghouder wordt vooraf op een mogelijk onderzoek gewezen. In deze gevallen wordt een communautair vergunningbewijs afgegeven met een geldigheidsduur van ten hoogste één jaar. Indien uit onderzoek blijkt dat in de praktijk wordt gehandeld conform hetgeen bij de vergunningaanvraag is opgegeven en aan de eisen van vergunningverlening wordt voldaan, wordt automatisch een vergunningbewijs verstrekt voor de resterende geldigheidsduur van de vergunning.

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 mei 2009.

TOELICHTING
Op 1 mei 2009 treedt de Wet wegvervoer goederen (WWG) in werking. Als gevolg hiervan dient het huidige beleid te worden aangepast. In de eerste plaats is onder de WWG alleen nog sprake van een communautaire vergunning; de aparte vergunning voor binnenlands beroepsvervoer komt te vervallen. Voor die ondernemingen die alleen beschikken over een binnenlandse vergunning is een overgangsregeling getroffen. Deze houdt in dat de houders van een bestaande binnenlandse vergunning (d.w.z. een vergunning die is verleend voor inwerkingtreding van de WWG) geen communautaire vergunning behoeven te hebben. Indien de situatie echter wijzigt, de onderneming gaat bijvoorbeeld alsnog grensoverschrijdend beroepsvervoer verrichten of de vakbekwame persoon verlaat de onderneming, dient alsnog een communautaire vergunning te worden aangevraagd. In dat geval dient, naast het getuigschrift van vakbekwaamheid voor binnenlands beroepsvervoer, eveneens een getuigschrift van vakbekwaamheid voor grensoverschrijdend beroepsvervoer te worden overgelegd. In de tweede plaats dient ter voldoening aan de eis van betrouwbaarheid een integriteitsverklaring te worden overgelegd. Deze integriteitsverklaring vervangt de onder de Wet goederenvervoer over de weg (WGW) gehanteerde Verklaring Omtrent het Gedrag. De betrouwbaarheid moet worden aangetoond door natuurlijke personen én – voor zover daar sprake van is – rechtspersonen. Indien een rechtspersoon een integriteitsverklaring aanvraagt, worden de bestuurders ook gescreend. Zij hoeven derhalve niet een aparte integriteitsverklaring aan te vragen. Een procuratiehouder, die de vakbekwaamheid inbrengt, daarentegen dient wel een integriteitsverklaring (voor natuurlijke personen) te overleggen. De NIWO kan een integriteitsverklaring ook tussentijds opvragen indien zij twijfelt aan de betrouwbaarheid van een rechtspersoon of een natuurlijk persoon. Voor de gevallen waarin tussentijds een integriteitsverklaring kan worden opgevraagd, is aangesloten bij de beleidsregel inzake toepassing van de Wet Bibob. Omstandigheden die het tussentijds opvragen van een integriteitsverklaring rechtvaardigen, kunnen zijn: een tip van het Openbaar Ministerie, een rechterlijke uitspraak, verschillende faillissementen, berichten uit de onderzoeksjournalistiek omtrent betrokkenheid bij criminaliteit e.d. In de derde plaats wordt onder de WWG niet langer de minimumeis van € 18.000,– gehanteerd. Dit betekent dat voor de eerste vrachtauto € 9.000,– en voor iedere daaropvolgende vrachtauto € 5.000,– dient te worden aangetoond. Onder de WGW diende voor één of twee vrachtauto(’s) in ieder geval € 18.000,– te worden aangetoond. In de vierde en laatste plaats kan bij een verzoek om verlenging van de communautaire vergunning in verband met de kredietwaardigheid een andere verklaring dan een RA- of AA-accountantsverklaring worden overgelegd. Dit zijn echter alleen verklaringen afkomstig van leden die zijn aangesloten bij de door de NIWO aangewezen instellingen. Teneinde de kwaliteit van de bij de instelling aangesloten leden zoveel mogelijk na te streven, is een belangrijke voorwaarde dat de aan te wijzen instelling over een eigen toezichthouder beschikt, zoals bijvoorbeeld een Raad van Tucht of een Tuchtcollege. De door de NIWO aangewezen instellingen, die aan deze voorwaarde voldoen, zijn: de Nederlandse Orde van Administratie- en Belastingdeskundigen (NOAB) en het Register Belastingadviseurs (waartoe het College Belastingadviseurs en de Nederlandse Federatie Belastingadviseurs behoren). Bij een ‘beginnende’ onderneming accepteert de NIWO alleen een RA- of AA-accountantsverklaring.