Op 4 december 2009 is er een nieuwe EU-verordening van kracht geworden die van belang is voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en daarmee de eigen rijder. Het betreft de EU-verordening nr. 1071/2009 inzake de toegang tot het beroep van vervoerondernemer (= eigen rijder). De nieuwe Verordeningen zijn nog niet direct van toepassing. De lidstaten moeten uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding de nieuwe regels toepassen, dus uiterlijk 4 december 2011.
In de nieuwe verordening toegang tot het beroep wordt geregeld welke eisen gelden voor vergunningverlening en hoe deze eisen worden gehandhaafd. Nieuw ten opzichte van de huidige situatie is, dat expliciet wordt bepaald dat de onderneming feitelijk moet zijn gevestigd in de lidstaat die de vergunning afgeeft en een postbusadres niet volstaat. Verder wordt de rol en positie van de vervoermanager nader omlijnd. De vervoermanager is in feite de vakbekwame bestuurder die we nu ook al kennen. Nieuw is echter dat deze vervoermanager zijn betrouwbaarheid kan verliezen als binnen het bedrijf ernstige overtredingen worden begaan van de vervoergerelateerde voorschriften. Een vervoermanager die zijn betrouwbaarheid verliest kan maximaal twee jaar ongeschikt verklaard worden het beroep van vervoermanager uit te oefenen.
De onderneming is als het ware de kredietwaardige (er zit kapitaal in de onderneming). De onderneming zelf is op zich niet vakbekwaam en betrouwbaar, dit is een persoon die namens de onderneming deze onderneming leidt. In het nieuwe EU voorstel wordt deze persoon ook als de vervoersmanager aangehaald. "vervoersmanager: de door een onderneming tewerkgestelde natuurlijke persoon, of
wanneer die onderneming een natuurlijke persoon is, die persoon, of een andere natuurlijke persoon die die onderneming op grond van een overeenkomst heeft aangesteld en die de werkelijke en permanente leiding voert over de vervoersactiviteiten van de onderneming"
Deze EU richtlijn gaat strengere eisen stellen dan de huidige richtlijnen. Natuurlijke personen die over de vereiste betrouwbaarheid en vakbekwaamheid beschikken, moeten duidelijk worden geïdentificeerd en bij de bevoegde instanties worden aangemeld. Deze personen ("vervoersmanagers") dienen in een lidstaat te zijn gevestigd en het werkelijke en permanente beheer te hebben over de vervoersactiviteiten van de wegvervoerondernemingen. De betrouwbaarheid van een vervoersmanager hangt ervan af, of hij niet veroordeeld is geweest voor een ernstig strafbaar feit en of hem geen sanctie is opgelegd voor zware inbreuken, met name op de communautaire wetgeving inzake het wegvervoer. Wanneer een vervoersmanager of een wegvervoeronderneming in een of meer lidstaten voor zeer ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving wordt veroordeeld of een sanctie krijgt opgelegd, zou dat moeten leiden tot verlies van de betrouwbaarheidsstatus, waarbij dient te worden aangetekend dat de bevoegde instantie zich ervan moet hebben vergewist dat een naar behoren afgewikkelde en gedocumenteerde onderzoeksprocedure met inachtneming van processuele grondrechten is gevolgd alvorens haar definitieve beslissing genomen wordt, en dat de nodige beroepsmogelijkheden geboden zijn.
Een hoog niveau van vakbekwaamheid verhoogt de sociaal-economische efficiëntie van het wegvervoer. Daarom is het wenselijk dat kandidaat-vervoersmanagers beroepskennis van hoog niveau bezitten. Vervoersmanagers moeten over de nodige kennis beschikken om leiding te kunnen geven aan zowel binnenlandse als internationale vervoersoperaties.
Een onderneming die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefent, wijst ten minste één natuurlijke persoon aan, de vervoersmanager, die voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid en kredietwaardigheid, en die:
a) de werkelijke en permanente leiding voert over de vervoersactiviteiten van de onderneming;
b) een reële band heeft met de onderneming, bijvoorbeeld als werknemer, directeur,
eigenaar of aandeelhouder, of de onderneming beheren, of, indien de onderneming
een natuurlijke persoon is, die persoon is; en
c) zijn woonplaats in de Gemeenschap heeft.
De onder persoon, in zijn hoedanigheid van vervoersmanager, beheert geen vervoersactiviteiten van meer dan vier verschillende vervoersondernemingen met een totaal wagenpark van maximaal 50 voertuigen. De lidstaten mogen een lager aantal ondernemingen en/of kleiner wagenpark vaststellen dat die persoon mag beheren.
Indien een vervoersmanager zijn betrouwbaarheid verliest, verklaart de bevoegde instantie hem ongeschikt om de leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een onderneming. Zolang overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van nationaal recht geen rehabilitatiemaatregelen zijn getroffen, is het getuigschrift van vakbekwaamheid van een ongeschikt verklaarde vervoersmanager, in geen enkele der lidstaten meer geldig.
Volgens de nieuwe verordening moeten de lidstaten een elektronisch register aanhouden, waarin gegevens van de vergunninghouders staan. Het betreft NAW-gegegens van de vergunninghouder, maar ook gegevens van de vervoermanager en gegevens over de vergunningen. Verder moeten de elektronische registers van de lidstaten aan elkaar gekoppeld worden en moet er informatie worden uitgewisseld over ernstige overtredingen en over de betrouwbaarheid van de vervoermanagers.
In de nieuwe verordening is er ook een verandering op het gebied van de vakbekwaamheid. In het bijzonder waar het getuigschrift behaald moet worden, en wel in het lidstaat van verblijf.
Artikel 8 Voorwaarden betreffende de vakbekwaamheidseis
1. Om te voldoen aan artikel 3, lid 1, onder d), moet de betrokken persoon of moeten de betrokken personen de kennis bezitten die overeenstemt met het in bijlage I, deel I, omschreven opleidingsniveau met betrekking tot de genoemde onderwerpen. Die kennis wordt aangetoond door middel van een verplicht schriftelijk examen dat, indien een lidstaat daartoe besluit, kan worden aangevuld met een mondeling examen. Deze examens worden georganiseerd overeenkomstig bijlage I, deel II. Met het oog hierop kunnen de lidstaten de betrokkenen ertoe verplichten voor het examen een opleiding te volgen.
2. De betrokken personen leggen het examen af in de lidstaat waar ze hun gewone verblijfplaats hebben of in de lidstaat waar ze werken.
"Gewone verblijfplaats" betekent de plaats waar een persoon gewoonlijk leeft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke bindingen die aantonen dat de persoon nauw verbonden is met de plaats waar hij woont.
De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen gelegen in twee of meer lidstaten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert. Deze laatste voorwaarde vervalt wanneer de betrokkene in een lidstaat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat een universiteit of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst.
Men geeft de lidstaten zelfs de mogelijkheid om de opleidingsinstituten te gaan erkennen. Ook zou er een mogelijkheid komen om herhalingscursussen in te stellen. De lidstaten kunnen, overeenkomstig door hen vastgestelde criteria, naar behoren instanties machtigen om een opleiding van hoge kwaliteit aan te bieden aan de kandidaten om hen doeltreffend voor te bereiden op de examens, alsmede nascholing aan vervoersmanagers zodat zij desgewenst hun kennis kunnen opfrissen. Deze lidstaten controleren geregeld of deze instanties nog steeds voldoen aan de criteria op grond waarvan zij zijn erkend.
De lidstaten kunnen met tussenpozen van 10 jaar periodieke bijscholing aanmoedigen met betrekking tot de in bijlage I van de EU verordening genoemde onderwerpen, om te waarborgen dat vervoersmanagers op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in de sector. De lidstaten kunnen eisen dat personen die over een getuigschrift van vakbekwaamheid beschikken maar gedurende de afgelopen 5 jaar geen onderneming in goederen- of personenvervoer over de weg hebben beheerd, een herscholing volgen om hun kennis over de actuele ontwikkelingen op het gebied van de in deel I van bijlage I vermelde wetgeving bij te werken.
Indien een vervoersmanager zijn betrouwbaarheid verliest, verklaart de bevoegde instantie hem ongeschikt om de leiding te hebben over de vervoersactiviteiten van een onderneming. Zolang overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van nationaal recht geen rehabilitatiemaatregelen zijn getroffen, is het getuigschrift van vakbekwaamheid van een ongeschikt verklaarde vervoersmanager, in geen enkele der lidstaten meer geldig.
De lidstaten aanvaarden als voldoende bewijs van vakbekwaamheid een getuigschrift dat overeenkomt met het modelgetuigschrift in bijlage III van de EU verordening, en dat door de daarvoor naar behoren gemachtigde autoriteit of instantie is afgegeven. Eenmaal behaalde certificaten in het "thuislidstaat" kunnen dus ook gebruikt gaan worden in andere lidstaten.
Een getuigschrift dat vóór 4 december 2011 als bewijs van vakbekwaamheid op grond van de tot die datum geldende bepalingen is afgegeven, wordt gelijkgesteld aan een getuigschrift dat overeenkomt met het modelgetuigschrift in bijlage III, en wordt in alle lidstaten erkend als bewijs van vakbekwaamheid. De behaalde certificaten tot die tijd moeten dus zonder meer worden aanvaard.
